Skip to main content

Venus is een belangrijk doelwit voor ruimtemissies. Zowel de Sovjets als de Amerikanen stuurden de eerste ruimtesondes in het begin van de jaren ’60. Venus staat immers twee keer dichter bij de Aarde dan Mars, en de wetten van de fysica zijn gemakkelijker te berekenen voor een planeet zonder maan.

Sinds het begin van het ruimtetijdperk reisden in totaal 23 sondes (Amerikaans en Sovjet) op 41 gelanceerde satellieten met succes naar Venus (dit getal omvat ook alle sondes die langs Venus vlogen zonder dat ze de planeet als einddoel hadden). Het succespercentage ligt veel hoger dan voor Marsmissies.

Vorige sondes en missies naar Venus

De jaren '60

In 1962 vloog de Amerikaanse sonde Mariner 2 voor de eerste keer langs Venus op een afstand van 35.000 km en registreerde de eerste metingen van de temperatuur (toen vastgelegd op meer dan 200°C) en van de hoge atmosfeerdruk. Mariner 2 ontdekte ook de trage retrograde rotatie van Venus.

Gedurende de volgende 3 jaar stuurden de Sovjets verschillende satellieten, waaronder de eerste Venera-sondes, maar de meesten gingen verloren. In 1967 stuurde de afdaalmodule van Venera 4 de eerste gegevens over de lagere atmosfeerniveaus (tussen 55 en 25 km hoogte) die de atmosfeersamenstelling van hoofdzakelijk CO2 en de dichtheid ervan bevestigden.

De jaren '70

Na nog 2 pogingen, slaagden de Sovjets in 1970 er eindelijk in Venera 7 te laten landen op het oppervlak, met behulp van een parachute. Dit was de eerste robot die door de mens op een andere planeet geplaatst werd. Gedurende 23 minuten stuurde de sonde exacte gegevens over de temperatuur (474°C) en de druk (90 bar, wat op Aarde overeenstemt met de druk 1000 m onder water!). De verkenning van Venus leek op het onderzoeken van de diepste oceaantroggen, met daarbij nog extra moeilijkheden door de hitte en de aanwezigheid van giftige gassen.

In 1974 nam de Amerikaanse Mariner 10 sonde de eerste ultraviolet beelden van op afstand en bestudeerde de vreemde bewegingen van de atmosfeer. Dit onthulde de snelle rotatie van de atmosfeerlaag (superrotatie). Eén jaar later behaalden de Sovjets opnieuw een opmerkelijk resultaat: de landers van de sondes Venera 9 en 10, enorme machines die erin slaagden een uur te overleven in de intense oven die Venus eigenlijk is, stuurden de eerste zwart-wit foto’s van het oppervlak.

Aangespoord door de successen van de Sovjets, reageerde de NASA in 1978 met een complexe en ambitieuze dubbele missie: Pioneer Venus 1 & 2 combineerden een orbiter met verschillende landers voor de eerste volledige studie van de atmosferische lagen (met analyse van stalen) en het oppervlak. De data die gedurende verschillende jaren opgemeten werden, toonden de belangrijke rol van bestanddelen zoals SO2 in de chemie van de atmosfeer en de vorming van zwavelzuurwolken (H2SO4) in de bovenste atmosfeerlagen.

Deze missie vervolledigde ook het eerste radaroverzicht van de planeet en onthulde zo de aanwezigheid van een groot aantal vulkanische formaties (op hetzelfde moment dat waarnemingen met de Arecibo radiotelescoop meer dan 50 vulkanen met een diameter boven 50 km toonden) en van twee hogere berggebieden: Ishtar Terra en Aphrodite Terra.

Gedurende de volgende paar jaren bleef de USSR niet bij de pakken zitten. Ze stuurden meer en meer satellieten: in 1978 analyseerden Venera 11 en 12 ook de atmosfeer en ze landden in 2 gebieden in het zuidelijke halfrond van waar ze gedurende ongeveer 2 uur gegevens stuurden. Het was echter wachten op Venera 13 & 14 in 1982 om de eerste kleurenfoto’s van het oppervlak, in het gebied Phoebe, te maken. Een boor verzamelde ook stalen van de bodem onder de landers. De stalen bleken uit basalt te bestaan.

Venera 13 alanding site
Panorama van de landingsplaats van de Sovjetsonde Venera 13 in het gebied Phoebe in 1982. De kleuren zijn moeilijk te beoordelen omdat de Venusatmosfeer blauw licht wegfiltert. Credit: NASA

De jaren '80

De jaren ’80 waren het gouden tijdperk voor de Sovjet-verkenning van Venus. Dit stak de Russische wetenschappers een hart onder de riem na hun mislukkingen en ontgoochelingen bij de verkenning van Mars. Venera 15 & 16 brachten in 1983 het noordelijke halfrond in kaart met behulp van radar.

In 1985 lieten Vega 1 & 2 op hun weg naar komeet Halley twee Franse ballonsondes afdalen in de atmosfeer van Venus. Ze waren ontworpen door CNES om de winden te bestuderen en ze bevatten ook twee landers die ten westen van Aphrodite Terra geplaatst werden om bodemstalen te analyseren.

De jaren '90

De laatste grote missie naar Venus dateert van 1989, met de lancering van Magellan door de Shuttle Atlantis. Het belangrijkste instrument aan boord van Magellan was een radar die hoge resolutie beelden (120 tot 220 m/pixel) maakte en zo 98% van het oppervlak in kaart bracht van 1990 tot 1994.

Magellan bezorgde ons zeer belangrijke informatie over de topografie van het oppervlak, tektonische activiteit en het schijnbaar recente vulkanisme op Venus.

De combinatie van gegevens van de Venera en Magellan satellieten leverde spectaculaire beelden op van de vulkanen op Venus en van bepaalde unieke geologische formaties.

2000s

Nadien concentreerden ruimteprogramma’s zich vooral op bemande vluchten in een lage baan en op Mars. Venus werd bijna vergeten. We moesten wachten tot 2005 om Venus terug op de voorgrond te plaatsen met de lancering van de Europese missie Venus Express.

Venus Express-missie. Credits: ESA
De lander van de Venera sondes 9 & 10 werd ontwikkeld om de verschrikkelijke hitte aan het oppervlak van Venus te weerstaan door gebruik te maken van een systeem met circulerende vloeistoffen. Gedurende zijn afdaling verzamelde de lander hoogte/druk-profielen en temperatuurmetingen. Hij overleefde 65 minuten op de grond, waarbij hij het oppervlak rond zich fotografeerde en de windsnelheden registreerde.
Credit: NASA
De Magellan-ruimtesonde wordt gelost vanuit de ladingsruime van de Space Shuttle Atlantis (STS 30) in 1989.
Credit: NASA